|
Schooldichter wordt stadsdichter
Martin Carrette, leraar Nederlands en Engels aan onze school, is op donderdag 28 januari door het stadsbestuur aangesteld tot eerste stadsdichter van Deinze.
Wij kennen Martin al jaar en dag als woordkunstenaar van onze school. Met zijn pittige cursiefjes in het schoolkrantje, weet hij al wie van taal houdt te beroeren. Meestal neemt hij in die tekstjes één of meerdere gedichten op.
Dat de laureaten van onze poëziewedstrijd donderdagavond door een kersverse stadsdichter konden voorgesteld worden, was een leuke samenloop van omstandigheden. In het juryverslag dat Martin in de bundel van de bekroonde gedichten liet opnemen, kunnen we in de slotalinea zijn visie op schoolpoëzie lezen: “De jury wenst de laureaten en de genomineerden van harte geluk, maar wil vooral alle deelnemers aanmoedigen verder te schrijven en hun poëtische talenten verder te ontplooien. Want hoe meer jonge mensen overtuigd zijn van het belang en de kracht van het woord in een op banaliteit en oppervlakkigheid terende samenleving, hoe meer waarden als vrede, solidariteit, stilte en diepgang een kans maken van onze oververhitte planeet een “warme aarde” te maken, een paradijs, de woordgrens voorbij.” Wie onze stadsdichter kent, weet dat dit zijn diepste overtuiging is.
Het eerste officiële stadsgedicht dat Martin op de poëzieavond voorlas, kunnen we hier niet opnemen omdat de rechten daarvan in handen van de stad zijn, maar we mogen wel “Een stad is een lief, een tweestemmig lied” publiceren, waarin een gids een bezoeker vanuit het station rondleidt door Deinze – de tweede stem is een gebed voor de stad…
Een stad is een lief tweestemmig lied
alles klinkt hol tussen uitgang en uitgang, als in catacomben, waaruit de levenden dood terugkeren – het omgekeerde gebeurt slechts een enkele keer, is groot nieuws: dit station is mond en aars van de stad, hier bloeden treinen leeg: zoals water op zoek naar laagte en stilstand vult na elke aderlating de stad zich onmerkbaar weer op
laat deze stad niet naar de wolken reiken, hou haar laag, ze is niet op zeven heuvels gebouwd
het plein koestert zich in de houdgreep van een lief, de wachtende stad. hier ziet men haar damesmaniertjes, als trapgevels vermomd, haar luidkeelse muren hebben hier troostend geduldige oren, hier heerst de dorst in haar jonge harten. alleen de doe-het-zelfzaak is echt, hart van een elfbladige bloem, honingpot voor haar bezige bijen
laat de stad zichzelf niet voorbij hollen, laat haar in haar parken sluimeren of traag langs haar waters wandelen
deze stad, kleine stad, gevat tussen water en water, heeft alles waarin een grote stad groot is, maar dan in het klein. je moet haar zien vanop haar water, strelend onder haar bruggen glijden, zoals een geliefde onder de rokken, ja, deze stad is een lief, zij is groot in het kleine. in haar rivieren, haar marktplein, doet zij aan stretching
geef de stad plekken en pleinen, waar ze luid kan zijn of stil, blij of bedroefd, laat er altijd een bank onbezet zijn.
deze stad, kleine stad, groot in bewaren, met kerken te over, in haar museum haar kleurrijkste gedachten, haar oord van verbeelding. ze koestert haar oudste gewaden, als waren het ooit donkere kastelen. haar vochtige streken zijn exotisch intiem: noorderwal, wildgroei, baarmoeder van de stad, die een lief is. hier komt men weer zichzelf op het spoor, en de stad. haar spoor, zijspoor.
laat de stad open, een lief met een hartslag op het ritme van komen en gaan, geef haar kleur in wie haar bewonen:
schenk haar zo de eeuwige jeugd
Martin Carrette
|